Diverse Teksten

Gedichten (Publicatie Averbode)

Zomer 1

Ze hebben me helemaal ingegraven
Mijn hele lijf zit onder het zand
Alleen mijn hoofd ligt
als een pratende voetbal op het strand
Ik kan me bijna niet bewegen
Het zand dat houdt me tegen
Het begint verschrikkelijk te kriebelen
Haal me eruit ik word gek!
Maar ik kan alleen maar met mijn tenen wiebelen
Ik kan nooit meer weg van deze plek
‘Kom ik zal je bevrijden’ zegt mijn vader
Hij schept het zand weer van mijn lijf
Opgelucht ren ik de zee in
Ik denk dat ik hier voor altijd blijf

Zomer 2 (voorpret)

Het geld is op zeiden mijn ouders
Dus blijven we dit jaar lekker thuis
Heerlijk een paar weekjes niks doen
En klussen in ons eigen huis
Daar vind ik dus helemaal niets aan
Mijn vader krijgt een slecht humeur
Ik weet al precies hoe het zal gaan
Dat wordt zes weken met gezeur
‘Jongen, ga wat leuks doen!
Je loopt weer vreselijk in de weg
En waar ligt nou toch die hamer
DOE NOU TOCH EENS WAT IK ZEG’
Loop ik daar in mijn eentje
Te balen in de regen
Ik zie het al voor me in de krant
‘Het weer valt deze zomer een beetje tegen’

Zomer 3
Ik lig lekker in mijn eigen tent
Ver van mijn ouders vandaan
Ik weet niet of je mijn vader kent
Maar die snurkt als een verkouden baviaan
Daar kon ik niet meer tegen
Dus ben ik in het bos gaan staan
Lekker in mijn eentje
Kan ik eindelijk slapen gaan
Oh nee, wat is dat voor een geluid?
Is dat een spin of een gevaarlijke slang
Ik ga echt mijn tentje niet uit
Daarvoor ben ik veel te bang
En wat is die schaduw op het doek
Wie staat me daar zo aan te gapen?
Is dat een reuzenspin, daar in die hoek
PAPPA HELP! ik wil weer bij jullie slapen

 

Monologen

Ik heb alles. Echt alles. Een i pod. I pad. Iphone . Een flatscreen tv, een karaoke set . Nou ja gewoon Alles. Ik hoef maar te zeggen dat ik iets wil hebben en ik krijg het. Als klein meisje wist ik al dat het leven om mij draaide. Mijn ouders gaven me het gevoel dat ik hun eigen kleine prinsesje was. Oh wat is ze mooi. Oh wat is ze lief. Oh ze is ons knappe prinsessenkindje. Die haartjes. Die oogjes. Ze heeft de mooiste oortjes van iedereen. Oh kijk nou toch. Oh kijk nou toch. Hoe schattig. Ik deed natuurlijk net als andere kinderen wel eens iets dat niet mocht. Maar al heel jong leerde ik dan een ‘ snoezig’ gezichtje op te zetten. Dan schoten ze in de vertedering en vergaten ze dat het niet echt een goed idee was om alle boeken uit de boekenkast te trekken. Of met viltstiften op het behang te kleuren. Het was zelfs zo erg, dat ze gingen opscheppen over mijn creatieve aderlatingen. Zagen ze in mijn gekras een ondergaande zon of zo. Alles wat ik deed was schattig, snoezig en bijzonder. Als ik een lelijk woord zei dan sloegen ze quasi geschokt hun handen voor hun mond. Maar ik zag de lach in hun ogen. Dus herhaalde ik nog een paar keer dat ik pappa een klootzak vond. Ik was een moeilijke eter. Ik hield niet van groente. Dus hield ik mijn mond stijf dicht als ze me iets gezonds wilden geven. ‘Wat een kop zit erop’, zeiden ze dan vertederd. En dan kreeg ik appelmoes. Toen ik wat ouder werd ,veranderde het. Ik kreeg een zusje. Van de ene op de andere dag werd ik van mijn troon verstoten. Niet langer was ik het schattige prinsesje. Ik moest ineens ‘ het goede voorbeeld geven’.

Dat deed ik dus niet. Ik had niet om dat kutzusje gevraagd. Ik heb toen een strategie moeten ontwikkelen om mijn zin te krijgen. Ik mag wel zeggen dat ik daarin geslaagd ben. Ik heb het stampvoeten tot ware kunst verheven. Als ze mij iets wilden weigeren, hield ik gewoon mijn adem in, desnoods tot ik flauw viel. Dat heeft mij gelukkig veel opgeleverd. Met stampvoeten, adem inhouden en een hoge snerpende krijsstem heb ik het voor elkaar gekregen dat ik een eigen pony kreeg. De grootste kamer in huis is nu mijn slaapkamer. Mijn ouders slapen nu op de vliering. Ik werd elke dag met de auto naar school gebracht. Want dat wou ik. En dus gebeurde het.

(valt stil. Wordt verdrietig) Je denkt misschien ‘wow wat een geweldig leven’. Die heeft het goed voor elkaar. Mijn vriendinnen zijn jaloers op mij. Omdat ik alles heb. Denken ze. Maar ze zien niet de andere kant. Want wat heb ik nog te verlangen. Ik heb alles. Ik kan me nergens op verheugen. Ik heb het al. Of ik krijg het. Mijn beste vriendin kreeg een samsung galaxy voor haar verjaardag. Was ze super blij mee. Ik kan me dat niet eens

voorstellen. Blij met een samsung Galaxy. Sowieso kan ik me niet voorstellen dat er één cadeautje bestaat waar ik nog blij van word.

Maar dat begrijpen ze niet. Niemand begrijpt dat. Ik voel me zo verwaarloosd. Zo alleen. En niemand die ingrijpt. Ze zien het toch gebeuren? Onze buren weten toch ook wat er gaande is? Die doen ook niks. Werkeloos kijkt iedereen toe hoe ik naar de klote ga. Daar moeten ze eens een tv programma over maken.

Maar nee hoor. Daar wordt alleen maar aandacht besteed aan de zielige kindjes in Afrika. Maar als er iets ergs gebeurt in de eigen omgeving wordt het genegeerd. Weet je hoe verschrikkelijk het is als je eigen vader en moeder bang voor je zijn? Als ik de huiskamer binnenkom zie ik het aan de blik in hun ogen. Mijn moeder springt meteen overeind om limonade in te schenken en mijn vader trekt zijn portemonnee open en geeft me 50 euro. Laatst gaf hij me een briefje van 20 en toen zei hij ; lieverd je krijgt straks meer. maar pappa had geen tijd om te pinnen. Niet verdrietig zijn. Ik voelde een woede opkomen. Vanuit mijn tenen. Ze hebben echt NIET in de gaten wat ze me aandoen.

Als ze zo doorgaan, loop ik weg. Dan zoeken ze het maar uit. Zij en mijn kutzusje waar ze duidelijk meer van houden.

Nee, wacht ik bied mezelf ter adoptie aan.

Ik weet al een advertentie tekst: gezocht liefdevolle ouders die nee kunnen zeggen als het nodig is. Ook tegen een prinsesje.